Sjors

en de Rebellenclub

 

                                             

De 40 roerige jaren van wijkcentrum

Veurbrook

Voorwoord

05

Hoofdstuk 5

 

 

 

 

De commissies

58

 

Hoofdstuk I

 

Huurderscommissie

 

 

In de weilanden

06

Verkeer- en milieucommissie

 

 

Jaren zeventig en tachtig:

 

 

 

 

problemen

09

Hoofdstuk 6

 

 

Groeneveld

13

Markante vrijwilligers

71

 

 

Gerrit Tijhof

71

 

Hoofdstuk 2

 

Jack Uchtman

72

 

Wijkcentrum Veurbrook

15

Ronny van de Paardt

74

 

Naderend onheil

28

Jenny Schilders

74

 

 

 

Wietse Boelen

75

 

Hoofdstuk 3

 

Bennie Schollink

76

 

De bestuurders

32

Ria en Anton Grobben

77--‑

 

 

Lebbink

32

Ronald van der Kooij

77

 

Adri Hankel

33

 

 

 

Renneke Grutterink

33

Hoofdstuk 7

 

 

Wim Meijer

34

Veurbode

78

 

 

Wim Brouwers

36

 

Mary Fidder

38

Hoofdstuk 8

 

 

Nijhuis/Van Riet/Brouwers

40

Andere memorabele feiten

82

Van der Sleen

42

De Molukkers

91

 

 

 

Rembrandt Fiesta

94

 

Hoofdstuk 4

 

De Gouden slag

95

 

De beroepskrachten

51

 

 

 

 

Harrie Bulter

 

Hoofdstuk 9

 

 

Renee Woolderink

 

De Toekomst

98

Marijke Bruinincx

 

Parkwijk Beeklust/

 

 

Frank Zwijnenberg

 

Ossenkoppelerhoek

98

 

Maria van Zijl

 

Wijkcentrum Veurbrook

101

 

Huub Melenhorst

 

 

 

 

 

 

Naschrift/dankwoord


102

 

 

 

Voorwoord

U heeft net de eerste bladzijde open geslagen van Sjors en de rebellenclub, het jubileumboek over de roerige geschiedenis van wijkcentrum Veurbrook, de wijken Beeklust, Ossenkoppelerhoek en Groeneveld en andere memorabele zaken die enige relatie hebben met het Veurbrook. We doken daarvoor in de archieven van de gemeente Almelo, vorsten met hulp van stadsarchivaris Henk Beijers stapels en nog eens stapels documenten na. Dat was nodig, want er is nog maar weinig geschreven en vastgelegd over de wijk en wijkcentrum Veurbrook. Daarna voerden we heel veel gesprekken met (oud)-bestuurders, vrijwilligers en beroepskrachten van het Veurbrook om een zo goed mogelijk beeld te kunnen schetsen van het wijkcentrum en de wijk.

Het liefst wilden we een compleet document. Maar dat zou zo ongeveer een standaardwerk met de omvang van de dikke van Dale opleveren. Daarom zijn keuzes gemaakt vanuit het oogpunt van wijkcentrum Veurbrook. Hoe ontwikkelde de wijk zich? Waar was het wijkcentrum bij betrokken? Wat ontstond in het wijkcentrum? Vandaar bijvoorbeeld niet de bouw en rol van de kerken in de wijk, de sporthal Rembrandtlaan, het winkelcentrum of cultureel centrum 't Groenendal, maar wel Rembrandt Fiësta, de `gouden slag' en de Molukse gemeenschap die een wijkje binnen de wijk vormt. Voor wat wijkcentrum Veurbrook betreft, is het toch wel opmerkelijk hoeveel strijd geleverd is in zijn 40 jarig bestaan. Strijd om een fatsoenlijk onder¬komen, strijd om geld, strijd om het voortbestaan, maar vooral strijd om zeggenschap voor de wijkbewoners in hun eigen Veurbrook. Er is door de jaren heen goed samen gewerkt met tal van instellingen, gemeente en politici, maar er is ook ontzettend veel slag geleverd met instanties en overheid. Dat duurt nog voort tot op de dag van vandaag. Niettemin: het Veurbrook doorstond alle moeilijkheden en viert in november 2011 haar 40 jarig bestaan. Een mooi moment, vindt het huidige bestuur, voor een boek over de dynamische gebeurtenissen in de wijk en die tumultueuze Veurbrook geschiedenis. Wijkcentrum Veurbrook schenkt het boek aan alle wijkbewoners. Tegelijk met de belofte dat ze er alles aan gaat doen om nog eens veertig jaar long te zorgen voor een bruisend wijkcentrum waarin iedereen welkom is.
 

                                                    

                               

Gerrit Roozeboom
Wim Brouwers
Hainie van der Sleen
Hennie Nijhuis

pagina

Hoofdstuk I

      • In de weilanden

      Geschiedenis van de wijk

De oorlog was voorbij, de jaren vijftig braken aan Almelo telde ruim 42.000 inwoners.
De welvaart nam toe. De stad kreeg bejaardenhuizen, het Irene ziekenhuis werd gebouwd,
Heracles bracht supporters in vervoering, de textiel zorgde voor heel veel werk.

Net als veel andere gemeenten kampte Almelo met
woningnood. Er werden uitbreidingsplannen gemaakt voor liefst zes nieuwe wijken tegelijk, want de gemeente hield zowaar rekening met een groei tot wel 175.000 inwoners. Voor Almelo West werden plannen gesmeed voor het Beeklust en de Ossen­koppelerhoek en in oktober 1957 stemde de Almelose gemeenteraad in met de bouw van beide wijken in het gebied tussen de Almelose Aa, de Weezebeek, de spoorlijn, de Schoolstraat, het Acaciaplein en de nieuw aan te leggen Jacob van Campenstraat. Op dat moment bestond het gebied nog uit weilanden waarin het vee graasde, akkergrond waarop groenten werden verbouwd, het Beeklustpark, hier en daar wat volkstuinen en sportvelden. Het terrein had een opmerkelijke bodemgesteldheid: het lag laag, de grond liep of richting Weezebeek en bestond uit teelaarde, fijner zand, kleihoudend zand, grindhoudend zand en zelfs veen. Op een aantal plekken stond het grondwater hoger dan in de beken en in natte jaargetijden kon het voorkomen dat het water zelfs uit de grond spoot. Voor de bouw van huizen moest het land met nieuwe aarde worden aangevuld en opgehoogd, maar het merendeel van het beoogde bouwterrein leende zich prima voor woningbouw.
Vooruitlopend op het officiële besluit om de Ossenkoppelerhoek en Beeklust te bouwen, kocht de gemeente al grond en panden aan. Voor de nieuwe wijken moesten 46 panden verdwijnen, 23 boerde­rijtjes en 20 arbeiderswoningen (`Merendeels niet van grote waarde', oordeelde de gemeente indertijd) en 3 bedrijven. Dat ging niet zonder slag of stoot. In de archieven van de gemeente zijn stapels en nog eens stapels bezwaarschriften en jurisprudentie te vinden van en over bewoners die niet wilden wijken voor de nieuwe woningen. De protesten van de erven Smit, dein onteigeningsprocedures. Maar er mochten ook woningen blijven staan. Zoals de huizen aan het Acaciaplein, de Maardwarsdijk, de Maardijk en de


pagina6


Beeklustlaan. Voor de nieuwe buurt Beeklust werd een stukje 'afgesnoept' van de wijk Achterlanden/ Wonde (voormalige Mendes) en een flink stuk van het Beeklustpark, dat in die tijd nog reikte tot de oude ventweg langs de Windmolenbroeksweg. Beeklust was toen al de tweede naam voor de wijk die nog niet eens was gebouwd. Aanvankelijk zou Beeklust namelijk Witvoetenland gaan heten. Maar de associaties met Beeklust vond de overheid toch wat positiever. In 1958, amper een jaar nadat de gemeenteraad had ingestemd met de bouw van de nieuwe wijken, ging de schop in de grond. Te beginnen in Beeklust. De TAM, Twentsche Aannemers Maatschappij, een combinatie van Goossen en Brun, bouwde voor 6 miljoen gulden 427 woningen; 16 woningen voor bejaarden, 249 eengezinswoningen en 162 etagewoningen met 60 garages. En dan was er ook nog ruimte voor tien particuliere woningen. In het bestemmingsplan werden ook scholen, kerken en een winkelcentrum en sportterreinen gepland. De exploitatiekosten waren, naar huidige maat­staven, minimaal: 881.500 ouderwetse guldens.

De nieuwe Beeklust reikte met haar Jacob van
Campenstraat tot in de wijk Achterlanden. Een buurtje met wat heette 'ongeschoolde of laaggeschoolde inwoners en een volkse cultuur'. In de tijd dat de plannen voor de Ossenkoppelerhoek en Beeklust werden gemaakt, wond de gemeente er geen doekjes om: er moesten scherpe grenzen komen om het Achterland te scheiden van het nieuwe Beeklust. Alleen al voor dot doel werd er een kleuterschool tussen beide buurten gebouwd. 'Beide wijken moeten in staat worden gesteld een eigen leefklimaat op te bouwen en onderhouden', was het ferme voornemen van de gemeente. Voor wie waren de nieuwe wijken dan bestemd? In de plannen werd gesproken over de hogere en lagere middengroepen. Die `middengroep'

was groot in Almelo. De gemeente maakte gewag van 922 'hoofdbewoners' in de stad die tot die hogere middengroep werden gerekend. Slechts 30% van hen woonde toen in straten die in de ogen van de overheid ook daadwerkelijk geschikt waren voor middengroepen, de rest woonde in arbeidersbuurten. De gemeente was erop gebrand passende huisvestiging te kunnen bieden aan die middengroepen, om de groei van de stad niet te stagneren.

Die gewenste doelgroep bewoners kwam er ook.
Onder de eerste bewoners van de Beeklust en kort daarna ook de Ossenkoppelerhoek, bevonden zich de stadsarchitect, veel ambtenaren, onderwijzers, ondernemers, winkeliers en politiefunctionarissen. Opmerkelijk genoeg ging de overheid er in het begin van de jaren vijftig vanuit dat die wijkbewoners niet veel behoefte zouden hebben aan contact met de buren. mens tracht veeleer betrekkelijk vrij te blijven van nauw contact en op gereserveerde wijze een goede verhouding te handhaven door anderen niet te storen met zijn leefwijze', stond in de officiële stukken van de gemeente. Daarom werden de Beeklust en Ossenkoppelerhoek zodanig ingericht dat een 'verplichting tot nauwer contact door opsluiting' niet nodig zou blijken. Dus waakte men al op de tekentafel voor besloten ruimten. Geen hofjes, geen binnenterreinen tussen flats, zelfs geen zijstraten bij elkaar (zonder een grote verkeersstraat er door). De woningen werden ook nog eens gegroepeerd. Zo waren er delen voor de hogere middengroepen, delen voor de lagere middengroepen en delen voor hoger geschoolde arbeiders. Met veel grond rond de flats en brede ontsluitingswegen. Een gemêleerde samenstelling van de wijken zat er dus niet in, ook

pagina 7


al voorzag de gemeente dat er in de jaren zeventig
ook arbeiders in de wijk zouden willen wonen. Beeklust, maar vooral de Ossenkoppelerhoek, werden ook de wijken van de hoogbouw, omdat bewoners `vrij van fysieke of sociale stoornis in de huizen moesten kunnen rusten, verblijven, opvoeden en het huis onderhouden'. De woningen moesten ook nog eens goed bereikbaar zijn. Met hoogbouw kon aan al die uitgangspunten goed worden voldaan en zou ook ruimte en openheid ontstaan, vond de gemeente.

De plannen van de gemeente maakten ook gewag
van een wijkgebouw. Niet een centrum met de bedoeling een hechte leefgemeenschap te smeden, maar meer een zakelijk wijkgebouw, waarin een aantal instellingen zou kunnen worden ondergebracht. Zoals het consultatiebureau, de wijkverpleging, een verbandpost, jeugdclubs, een filiaal van de openbare leeszaal, gecompleteerd met vertrekken die geschikt zouden zijn voor bedrijven, toonkamer, verkoopexposities. Dat alles aangevuld met een hulppostkantoor, telefooncellen en een politiepost. Een soort Multi Functionele Wijkaccommodatie dus
waarmee de Ossenkoppelerhoek haar tijd ver vooruit zou zijn geweest. De plannen stonden in de stukken van de gemeente al ander het kopje: wijkgebouw een utopie? Het is er in de omschreven vorm dan ook niet van gekomen. Bij het maken van de plannen voor de Ossenkoppelerhoek en Beeklust werd veel `groen' gepland voor recreatie en sport. Alles bij elkaar zo'n 20 hectare. Daar vielen alle plantsoentjes onder, de speelplekken bij de scholen, uiteraard het evenemententerrein aan de Rembrandtlaan en de sportvelden aan de rand van de wijk. Ook het Buitengoed Beeklust werd nadrukkelijk bij de plannen betrokken als 'het speciale wijkpark', met een speelveld in het hart. In Beeklust verrezen in een paar jaar tijd alle flats en woningen en in december 1958 kreeg dokter Scholten toestemming om een garage aan de Rombout Verhulstlaan in te richten als spreekkamer. Goed voorbeeld deed volgen. Een paar maanden later kregen veel garageboxen een bestemming als bergruimte, assurantiekantoor, opslagplek voor winkels, een zaal voor heilgymnastiek en zelfs als plantenziektekundige dienst. De eerste bouwtechnische problemen dienden zich in 1961 al aan: terwijl er nog volop gebouwd werd, scheurden de muren en was er al lekkage in de flats aan de Rombout Verhulstlaan. De woningstichting Almelo schakelde TNO in voor het onderzoek en die concludeerde dat de daken onvoldoende gesoleerd waren. Het herstel liet op zich wachten tot 1968. De bouw van de Ossenkoppelerhoek vergde meer tijd. Het deel tussen de Rembrandtlaan on de Weezebeek werd als eerste gerealiseerd, later volgden de flats en woningen aan de overzijde van de Rembrandtlaan. Het sluitstuk vormden de Gerard Doustraat en de bebouwing van het Koedijkgebied waar begin jaren zeventig de flats aan de Jan Vermeerstraat verrezen.

Eind jaren vijftig werden veel woningen en flats
gebouwd in opdracht van de gemeente on het gemeentelijk woningbedrijf Almelo. In dat geval kregen de Almelose corporaties het beheer over de huizen. Later lieten de woningstichtingen Beter Wonen, Sint Joseph en Volksbelang zelf flats en woningen bouwen. Er werd ook voor eigen rekening en risico gebouwd door aannemerscombinaties als Goossen en Brun, bouwbedrijf Ten Hoeven, maar ook het Mijnwerkerspensioenfonds, Philips, het Spoor­wegpensioenfonds en zelfs de melkfabriek. De huizen
waren voor eigen personeel of voor de verhuur.

pagina 8


Jaren zeventig en tachtig: problemen


Beeklust en de Ossenkoppelerhoek werden gebouwd met grote idealen voor ogen. Een wijk voor de beter opgeleiden, een wijk voor mensen met een goed inkomen.
Een homogene, rustige wijk voor een draagkrachtige bewonersgroep. Het heeft echter maar iets meer dan een tien jaar geduurd voor de eerste problemen zich aandienden
in met name de Ossenkoppelerhoek.
Na de bouw van de Beeklust en Ossenkoppelerhoek, in de jaren zeventig, was nog altijd sprake van woningnood in Almelo. Alleen in het duurdere segment
was er aanbod genoeg. Om de nood to lenigen kwamen er nieuwe wijken. De Haghoek en Aalderinkshoek stonden er net als de Beeklust en Ossenkoppelerhoek in no-time, de Schelfhorst en het Windmolenbroek werden voorbereid. ZoaIs eerder de nieuwe bewoners van de Beeklust en Ossenkoppelerhoek hun huizen in de Kerkelanden en Sluitersveld verlieten, vertrokken bewoners uit de Ossenkoppelerhoek en Beeklust uit hun huizen en flats voor de nog mooiere woningen in de nieuwste wijken van de stad. Vooral de Schelfhorst was populair en de uittocht begon.
Nu had Almelo in die tijd at veel arbeiders uit
Italië, Spanje en vooral Turkije. Zij woonden lange tijd in pensions, maar haalden na verloop van tijd hun vrouwen en kinderen naar Almelo. Er was at woningnood en door de herenigde gezinnen werd de vraag naar huurwoningen nog groter. Anders dan veel Nederlanders konden de gastarbeiders niet voldoen aan veel eisen die aan huurders werden gesteld. Daarom kocht deze groep veel woningen. In het Vijverstratengebied, de Kerkelanden, de Oosteres, het Bellavistaterrein en ook in de Ossenkoppelerhoek
waar veel eerste bewoners al weer waren vertrokken
De ooit zo bejubelde etagewoningen van particuliere verhuurders kregen zo nieuwe bewoners, ander wie
verhoudingsgewijs veel mensen van buitenlandse komaf.
Veel van de allochtone huiseigenaren hadden aanvankelijk twee inkomens omdat zowel man als vrouw werkten. Maar toen sloeg begin jaren tachtig de crisis toe. Veel mensen raakten hun baan kwijt. De allochtone werkgevers werden snel getroffen. De vrouwen raakten als eersten hun werk kwijt, later ook de mannen. Veel flatwoningen die de gastarbeiders met gemeentegarantie hadden gekocht, moesten gedwongen worden verkocht. De flats kwamen leeg to staan, de verpaupering sloeg toe. Daarbij liep de overheid — gemeente en rijk — veel financiële schade op. Omdat de woningen met gemeentegarantie waren gekocht, moest de restschuld (hypotheek minus de extreem loge opbrengst bij executieverkoop) voor 50% door de gemeente en voor 50% door het rijk worden gedragen.
De gemeente Almelo bedacht in die tijd een on­
orthodoxe manier om to voorkomen dat ze ontzettend veel geld kwijt zou raken aan at die gemeente­garanties. Voormalige ambtenaar Bert Haakmeester

pagina 9


— die ooit als kind met zijn moeder intrek nam in een nieuwe flat aan de Meindert Hobbemastraat was er nauw bij betrokken. `De gemeente wilde de huizen onderhands kopen. Dan zouden de woningen meer opbrengen, waren er minder schulden te vereffenen en had de gemeente panden in handen die weer ingebracht konden worden voor stadsvernieuwing.' Het rijk stemde uiteindelijk in met die aanpak en de gemeente kreeg door aankopen en woningruil onder meer een aantal (ABC) flats langs de Rembrandtlaan in bezit. De flatgebouwen zagen er op het moment van aan­koop niet meer uit door de langdurige leegstand en het gebrekkige onderhoud. Ze werden afgebroken. De grond werd beschikbaar gesteld aan de toen 80-jarige woningbouwcorporatie Volksbelang voor een nieuwbouwplan. Dat was niet aan dovemansoren gericht. Volksbelang schreef een architectuurprijs­vraag uit. Het ontwerp Hartslag van Van Herk en de Kleijn won en werd in de eerste helft van de jaren negentig gerealiseerd. De eerste vernieuwing van de Ossenkoppelerhoek was een feit.
Bij de woningstichting Beter Wonen zagen ze in
de jaren tachtig de teloorgang van de wijk zich voltrekken zonder dat ze er echt iets aan kon doen. De corporatie poogde aanvankelijk om het aantal Turkse gezinnen te verdelen over de wijk, maar kreeg dat niet voor elkaar. 'Ons streven was niet meer dan twee gezinnen per trappenhuis. Maar het mocht niet en het lukte dus ook niet', aldus Ebbo Storm van Leeuwen. Hij signaleerde nog meer oorzaken voor de neerwaartse spiraal. De wijk Ossenkoppelerhoek kreeg namelijk ook de wat zwakkere bewoners uit wijken die werden gesloopt (Mendes) of opgeknapt (Kerkelanden).

De woonomgeving begon door de nieuwe bewonersgroepen te verrommelen. Beter Wonen was onmachtig. 'Als corporatie kun je wet wat aan de woningen en de woonomgeving doen, maar niet alles valt te regelen', stelde Storm van Leeuwen achteraf. `En voor ons was de omvang van de problemen te groot om slagvaardig op te kunnen treden.' In de Ossenkoppelerhoek stapelden de problemen zich op. De omgeving ging zienderogen achteruit, het aantal zwakke gezinnen steeg, werkloosheid en armoede namen toe en er was sprake van een stevige verslavingsproblematiek in de wijk. Vandalisme stak de kop op. Ouders corrigeerden de kinderen niet meer, buurtbewoners durfden dat niet. De Ossenkoppelerhoek had het zwaar in de jaren tachtig.

Toch werd er wet geprobeerd om het tij te keren.
De gemeente stelde bijvoorbeeld wijkteams in. Ploegen die snel wat konden doen aan groen­onderhoud en bestrating. Beter Wonen deed wat het kon en ging door met het groot onderhoud aan haar omvangrijke woningen. Ook Sint Joseph bleef investeren in haar woningbestand en zorgde dat het bezit er tiptop bij stond. Er waren her en der initiatieven. Lapmiddelen, moet achteraf geconstateerd worden. Tot het moment dat Beter Wonen voor de Ossenkoppelerhoek een `masterplan' presenteerde. Een buitengemeen ingrijpend en verstrekkend vernieuwingsplan voor de hele wijk. Beter Wonen had in Nieuwland II al goede ervaringen opgedaan met zo'n masterplan, maar de Ossenkoppelerhoek was qua schaal andere koek. Het plan werd midden jaren negentig aangekondigd. Alle portiekflats moesten wijken. Allemaal. De gemeente deed mee en wilde zelfs de wegenstructuur in de wijk omgooien. Tien jaar dacht Beter Wonen nodig to hebben voor de hele operatie.


pagina 10


Het mooie plan liep onmiddellijk averij op. Beter Wonen wilde beginnen met de sloop van flats op de hoek H.R. Holstlaan en Frederik van Eedenstraat. Daar moest een mooie eyecatcher gebouwd worden. De gemeente haalde een streep door de plannen. Het voorval was illustratief voor de moeizame relatie die Beter Wonen toen met de gemeente had. Het schrappen van de bouwplannen voor die locatie maakte een forse bijstelling van de plannen nodig en de corporatie besloot of to zien van haar sloopplannen voor alle hoogbouw. Ze koos een heel andere strategie het opknappen van de flats langs de H.R. Holstlaan, de verkoop van een aantal van die flats en de introductie van frisse en opvallende kleuren. De appartementen aan de PC Boutenstraat e.o. werden als eerste onder handen genomen. Architect van Elsberg ontwierp nieuwe portieken en bedacht opmerkelijke tinten en toevoegingen voor de gevels en balkons. De woningen zelf werden ook flink onder handen genomen. Er kwamen nieuwe keukens en badkamers in. Vervolgens ging een aantal flats in de verkoop (deel tussen de Rembrandtlaan en de Van Eedenstraat). De corporatie pakte ook de woonomgeving aan. De plantsoenen, de beplanting, alles ging op de schop en de Van Eedenstraat kreeg de eerste wadi's van de stad.

Opknappen of verkopen luidde vervolgens het
devies. Beter Wonen maakte prachtige complexen van de flats langs de Rembrandtlaan (Frans Halsstraat e.a.). De rode baksteen werd geschilderd in een frisse roomkleur. Voor de gevels maakte kunstenaar Carolien Koopman uit Brummen prachtige, glazen kunstwerken. De appartementen gingen in de verkoop en gingen als zoete broodjes over de toonbank. Datzelfde kunststukje werd herhaald in een ander deel van de wijk: de flats langs de Berlagelaan (Pieter Poststraat
e.o.). Ook die werden prachtig opgeknapt en kregen met de fraaie houten entrees een chique uitstraling. De omgeving werd nooit vergeten; de plantsoenen zagen er nooit zo fraai uit als na die reconstructie. De Berlagelaan kreeg eveneens kunst. Geen glazen werken aan de gevels, maar grappige, functionele kunst in de vorm van nieuwe, laag hekwerk met figuren langs de mooie plantsoentjes.

Ook voor de Vermeerstraat maakte Beter Wonen
een plan. Een plan? Wat heet: tig plannen. De ene na de andere tekening verdween in de lade, maar de corporatie bleef stug doorwerken aan de reconstructie van de Ossenkoppelerhoek. Er werd driftig gesleuteld aan een plan voor de lange flats aan de Rembrandtlaan tegenover de sporthal. Tenslotte kwam er een gewaagd stuk uit de burelen van de corporatie: flats halveren, strippen en herinrichten. Een vergelijkbaar project was er in Nederland nog niet eerder vertoond. Het zou niet alleen een mooi complex opleveren, maar ook de woningen die voorheen achter de lange flats schuil gingen, vrij uitzicht geven. En dat, zo redeneerde de corporatie, was ook een belangrijke waardevermeerdering. Bovendien kwam er plek vrij voor parkeerplaatsen.

Het ministerie van VROM was erg enthousiast over
de stoutmoedige plannen van Beter Wonen. Het project kreeg zelfs twee nominaties voor prijzen. Heel erg leuk en complimenteus, maar de bouw verliep minder voorspoedig; de tegenvallers stapelden zich op. Narigheid met het stucwerk, de vloeren en de fundering volgden elkaar op. De flat werd weliswaar gaandeweg mooier en mooier maar ook duurder en duurder. 'Het is geweldig geworden', vond Storm van Leeuwen, 'prachtige locatie, mooie woningen met een

Pagina 11

heel nieuwe indeling. Maar het was onvoorstelbaar
duur. Té duur.' Het voornemen van Beter Wonen om naar het voorbeeld van de Rembrandtlaan ook andere flats in de wijk te strippen en to herbouwen (Vermeerstraat en Rombout Verhulstlaan), moest ook worden verlaten. De kosten zouden te hoog worden. Dus werden weer alternatieven bedacht. Intussen ging de corporatie nijver door met groot onderhoud aan de eengezinswoningen in de wijk, die onverkort populair bleven.

De onophoudelijke investeringen van Beter Wonen
en de wijze waarop ook St. Joseph haar bezit in goede staat hield, zette wel de weg naar herstel in. Want terwijl Beter Wonen flats verbeterde, wisten de winkeliers van het Van Goghplein ook te bewerkstelligen dat het hele winkelcentrum zou worden vervangen. De Willibrordkerk werd gesloopt om plaats to maken voor de Titus Brandsmahof, een complex met eindelijk veel perfect geschikte appartementen en voorzieningen voor ouderen.

De gemeente besloot de Rembrandthal of to stoten
en de nieuwe IISPA net buiten de wijk naast het Heraclesstadion to bouwen. De gammele Exoduskapel week en op die plek kwamen nieuwe huizen. De langzame transformatie van de Ossenkoppeler­hoek had en heeft ook grote voordelen; bewoners zagen dat er voortdurend iets verbeterde in hun woonomgeving en woningbouwcorporaties weten intussen dat ze daarmee de eigenwaarde van bewoners in positieve zin beïnvloeden.

Komt de wijk dan ooit af? Storm van Leeuwen zei
desgevraagd: 'Nee. Het moet ook altijd beter. Je moet altijd werken aan verbetering, dat eist de markt ook. Doe je het niet, wordt de wijk snel (te) slecht.' En dus werkt Beter Wonen aan verdere verbeteringen. De Rombout Verhulstlaan krijgt/kreeg op de plek van de gesloopte flats, heel mooie nieuwe complexen en de corporatie zint op plannen voor de Albert Cuypstraat en nog altijd de Vermeerstraat.

De wijk die in de jaren tachtig en begin jaren negentig helemaal dreigde te verloederen, heeft zich anno 2011 weer opgericht en krijgt een dikke, dikke voldoende van bewoners en deskundigen. De Ossenkoppelerhoek en Beeklust kunnen prat gaan op prachtige onderdelen als het winkelcentrum Van Gogh, Hartslag, de frisse flats en mooie plantsoenen, haar Beeklustpark en fiere Titus Brandsmahof. Maar ook met de oude elementen, zoals het sfeervolle Acaciaplein en de lommerrijke Maardijk uit de jaren dertig. Al blijven er nog wel wat problemen 'to tackelen'. Zoals de parkeerdruk. Want ooit werden de Ossenkoppelerhoek en Beeklust gebouwd voor het traditionele gezin: man, vrouw en twee kinderen zonder auto. Intussen is de gemiddelde woningbezetting twee tot drie mensen met een of twee auto's. En dat is een wereld van verschil.

In 2011 scoort de wijk een dikke voldoende. Veranderingen om trots op te zijn!


Groeneveld

Verscholen achter de groene geluidswal langs de Weezebeeksingel ligt het Groeneveld. Een besloten, rustige buurt met fraaie koopwoningen die intussen tot de wijk Beeklust/ Ossenkoppelerhoek gerekend wordt.
 

Het Groeneveld ontstond in de jaren zeventig tegelijk met het Windmolenbroek op de burelen van de gemeente. Het Groeneveld moest het nieuwe Paradijs voor Almelo worden. Een toevluchtsoord voor de rijken, met royale kavels van tenminste 800 tot wel 1500 vierkante meter groot. Een wijk zonder voorzieningen, want die waren er al in de Ossenkoppelerhoek en zouden er wel komen in het aanpalende Windmolen­broek. Er was alleen sprake van de bouw van een tweede zwembad (het nieuwe Wendelgoor) aan de linkerzijde van de toegangsweg en een kantorenzone op de plek van het huidige Waterschapsgebouw en de achterliggende groenstrook.

Toen de Beeklust en de Ossenkoppelerhoek al waren voltooid, was nog altijd sprake van een enorme bouwproductie en grote vraag naar koopwoningen. De prijzen rezen de pan uit. Dat bleef niet zonder gevolgen. Begin jaren tachtig klapte de woningmarkt in elkaar, terwijl de uitgifte van de Groeneveldkavels nog maar net was begonnen. De gevolgen van de crisis waren desastreus, in het Groeneveld werden in een jaar tijd slechts twee percelen verkocht. De vraag naar bouwgrond was nihil. De gemeente greep in; in september 1983 besloot ze de kavels op te splitsen in kleinere bouwlocaties en ook geschakelde bouw mogelijk te maken. Toen de markt weer aantrok in de tweede helft van de jaren tachtig en begin jaren negentig, bleek dat een

goede zet. Het Groeneveld werd in relatief korte tijd volgebouwd. In de plannen voor Het Groeneveld was het geprojecteerde zwembad onder druk van bezuinigingen al geschrapt. De tandartsen Braakman en Rietman zagen hun kans schoon. Ze verplaatsten hun praktijk van het Van Goghplein naar het Groeneveld, waar ze buren werden van dieren­kliniek Kooikershof.

De bouw van het Groeneveld ondervond geen problemen. Er was slechts een keer sprake van een `oprisping'. Dat was in de tijd dat het Waterschap Regge en Dinkel aankondigde te verhuizen naar de Kooikersweg. Die plannen van het Waterschap zelf waren niet het probleem, maar omwonenden kwamen wel in het geweer tegen de mogelijkheid van bouw van kantoren achter het nieuwe Waterschapsgebouw. Want die optie hield de gemeente onder druk van de raad die vond dat er geld moest worden verdiend - open. De buurt echter, vreesde een grote aantasting van het fraaie groen. Het verzet kwam niet alleen uit het anders zo ingetogen Groeneveld, maar ook uit Beeklust, dat uitzicht had op het tot dan toe landelijke gebied. Eerzame burgers klommen op de barricaden. De kantorentuin achter het Waterschapsgebouw moest hoe dan ook van tafel. Er kwamen brieven, handtekeningen, er werden spandoeken opgehangen. Op de dag dat de muziekkoepel in het Beeklust­park feestelijk werd geopend door burgemeester

pagina 13


          Zilverschat

Een aardig voorvalletje uit de periode van de bouw van Beeklust. Eind jaren vijftig stelde de gemeente grond beschikbaar aan de Beeklustlaan voor de nieuwe speeltuin `Kindervreugd'. Die werd met vereende krachten aangelegd. De jonge Arno Ezendam had zich samen met vrienden vol overgave gestort op het uitgraven van de toekomstige zandbak toen hij op iets bijzonders stootte. Ten zilverschat', meldde het opgetogen bestuur der speeltuinvereniging Kindervreugd in een brief aan het college. De vondst bestond uit negentien zilveren rijks­daalders Willem III, twee zilveren rijksdaalders Willem II, een zilveren gulden Willem II, een zilveren gulden Willem III en drie kwartjes met de afbeelding van de koningin met loshangend haar. Totale waarde: wel fl. 55,25. Omdat de gemeente eigenaresse was van de grond, kwam de gemeente de helft van de waarde toe, verklaarde het bestuur in de brief aan de gemeente. Om er onmiddellijk een verzoek aan to koppelen: mocht de zilverschat worden verkocht? Zo ja, dan zou het bestuur het heel prettig vinden.
 

Pagina 14
 


 
           Hoofdstuk 2

                                  Wijkcentrum Veurbrook
 

De geschiedenis van wijkcentrum Veurbrook begon op een mooie dag in het jaar 1967, toen een jonge broeder in pij uit de auto stapte die hem vanuit Dordrecht naar Almelo

had gebracht. Broeder Jan Tibben nam zijn intrek in het nieuwe klooster aan het Vincent van Goghplein. Het duurde niet lang of in het parochiezaaltje van de Willibrord kerk

gingen de eerste activiteiten voor de jeugd van start. Het fundament voor het Veurbrook was gelegd en zou door de jaren heen heel stevig blijken.

Eind jaren zestig woonden al veel mensen in Beeklust en Ossenkoppelerhoek, maar het voorzieningen­niveau was nog niet om over naar huis te schrijven. De kerken waren actief, er was een winkelcentrum en een sporthal, maar de jeugd had niet echt een plek gevonden. Broeder Jan, die in Dordrecht in het jeugdwerk was gerold, werd al heel snel na zijn aankomst getraceerd door een stel jonge knapen. 'Ene Duchateaux en Borgman', weet broeder Jan nog. 'En ze wilden graag wat leuke activiteiten.'

De gemeente kwam de initiatiefnemers nog tegemoet met een adreslijst van jongeren tussen de veertien en achttien jaar die in de Ossenkoppelerhoek en de Beeklust woonden. Ze kregen allemaal een briefje en al snel daarna was Soya Broja (Soos van Broeder Jan) een feit. Razend populair en reuze onschuldig allemaal: in het parochiezaaltje werd fanatiek gesjoeld en andere spelletjes gespeeld en er waren dansavonden onder het wakend oog van de broeder. In pij gestoken liep hij tussen de dansende paartjes door en joeg al te enthousiaste stelletjes uit elkaar. 'Geen seksueel geschuifel', hield hij de jongeren voor,

      

Twee grootheden uit de geschiedenis van het Veurbrook: broeder Jan Tibben
en Jacques Uchtmann.

  

Intussen trokken ook de vrouwen uit de wijk aan zijn pij. Ze wilden een peuterspeelzaal en broeder Jan moest hen daarbij helpen. Hij had aan een half woord genoeg. Broeder Jan snapte de argumentatie van de vrouwen heel goed. Sterker nog: hij vond ook dat er voor kinderen een plek moest komen waar ze veilig met andere peuters konden spelen. Want daarvoor bleken de grasvelden tussen de flats niet geschikt door de grote afstand tussen de plantsoenen en flatwoningen. Bovendien zagen de vrouwen een peuterspeelplek als een mogelijkheid om met elkaar in contact te komen.

In no time had broeder Jan de eerste peuterspeelzaal in Almelo in de benen geholpen. Bij gebrek aan beter werd Drie Turven Hoog ondergebracht in de kantine van korfbalclub Achilles aan de Maardijk hoek Koedijk. Er was geld ingezameld met de verkoop van pennen die broeder Jan had gekregen. Speelgoedgroothandel Otto Simon schoot ook te hulp. 'Ik ben in mijn pij op de fiets naar Simon gegaan', herinnert broeder Jan zich nog alsof het gisteren was. 'En hij heeft geweldig geholpen. We kregen van alles. Tafeltjes, stoeltjes, trapautootjes, speelgoed. De moeders brachten zelf ook van alles mee.' Drie Turven Hoog werd bestierd door de dames zelf. Twee dagdelen in de week. Vergaderen deden ze thuis, bij toerbeurt. En broeder Jan? Die toerde mee.

Het parochiezaaltje van de Willibrordkerk barstte een paar maanden na de komst van broeder Jan al uit z'n voegen. Er moest een gebouw komen, drong alras door tot een groep wijkbewoners. Op dat moment kreeg broeder Jan hulp uit eigen gelederen. 'Ik kreeg van de orde van de Carmelieten een houten gebouw,dan maar even dienst had gedaan als gymnasium en dat in Zenderen stond. We hebben het met een stel vrijwilligers in een weekend afgebroken en met boerenwagens en tractoren naar Almelo gebracht.' Omdat er helemaal geen bouwlocatie voor het houten pan* was, werd het gebouw in stukken opgeslagen in de oude melkfabriek in de Goossenmaat. Toen begon ook de zoektocht naar een goede locatie voor het wijkgebouw en werd de oprichting van de stichting jeugd- en wijkwerk Beeklust Ossenkoppelerhoek voorbereid. Broeder Jan: 'We moesten een rechts­persoon worden om in aanmerking te komen voor subsidie en voor een locatie.' Henk Schouten werd de allereerste voorzitter. Het bestuur bekeek veel locaties en vond het Vincent van Goghplein de mooiste plek; mooi centraal gelegen en het grote plein bood voldoende ruimte. Het evenemententerrein tegenover de sporthal was een goede tweede en er werd ook nog gekeken naar de Rombout Verhulstlaan. Toen bleek echter dat het Van Goghplein en ook de Rembrandtlaan voor de gemeente 'off limits' waren. De overheid zag het wijkcentrum het liefst aan de Jan Tooropstraat, pal naast de gymnastiekzaal (op de plek van de huidige parkeerplaatsen). Na een gesprek met de buurt, was het pleit beslecht. Bijna twee jaar na de opmerkelijke verhuizing op boerenwagens van het schoolgebouw van Zenderen naar Almelo, kon het als wijkcentrum weer worden opgebouwd. De bouw van het eerste Veurbrook was een gezamenlijke inspanning van de wijkbewoners. SOWECO nam het bouwkundige deel voor haar rekening en vrijwilligers verzetten bergen werk. Er werd getimmerd, geschilderd en gesopt dat het een deugd was. Aan helpende handen geen gebrek. In een paar maanden was de klus gepiept. In het najaar 1972 opende wethouder Jansen het Veurbrook en beschikten Beeklust en Ossenkoppeler­hoek over een eigen wijkgebouw.

Pagina 16



Het wijkwerk explodeerde daarna. Niet alleen omdat de activiteiten van alle kerken werden overgeheveld naar het Veurbrook, maar ook door de talrijke initiatieven van de wijkbewoners en zeker ook door de onvermoeibare inzet van de jonge broeder Jan, die geen onderscheid maakte tussen de gezindten. 'Alle wijkbewoners waren een soort kinderen van me. Als zij met een suggestie kwamen, probeerden we het te realiseren.'

Broeder Jan Tibben is heel (te) bescheiden over zijn aandeel als hij zegt: 'Het ging vanzelf, vanuit de peuterspeelzaal ontstonden heel veel nieuwe groepen. De gymnastiek, ouderengroepen, biljartgroepen'. Voor een specifieke groep spanden de broeder en zijn bestuur zich in het bijzonder in: de Molukkers. 'Er werden in die tijd, begin jaren zeventig, nieuwe woningen gebouwd aan de Jan Steenstraat en de Pieter Lastmanstraat voor een tweede groep Molukkers uit de Vossenbos in Wierden. lk weet nog goed dat we vaak naar de Vossenbos zijn geweest om te praten. We wilden graag dat de jongeren ook naar het Veurbrook zouden komen. Het was niet eenvoudig. Die jongelui waren nog erg bezig met de eigen republiek en hadden 'strakke' opvattingen. Maar het is wel gelukt. Toen ze eenmaal in de Ossenkoppeler­hoek woonden, kwamen de peutertjes naar Drie Turven Hoog, kwamen jongelui naar de jongerensoos en ouderen gingen ook naar het Veurbrook. Tot Akar Bahar kwam. Toen vloeide alles wat Moluks was daar naar toe. Jammer... maar we konden er niets aan doen.'

Het sociaal cultureel leven in het Veurbrook floreerde, ondanks schaarse inkomsten. Subsidie voor activiteiten was er niet. Maar broeder Jan en het bestuur van het wijkcentrum zijn altijd zeer inventief geweest als het om het geld verdienen ging. De inrichting van de peuterspeelzaal werd opnieuw deels bekostigd

met de verkoop van balpennen. Grote sponsoren als Otto Simon deden weer een flinke duit in het zakje. Broeder Jan was een van de 'grootverdieners' voor het activiteitenprogramma. ledere decembermaand kleedde hij zich in de mantel van de bisschop van Mira en was hij Sinterklaas. De Almelose middenstand, die wist dat al het geld voor het Veurbrook was, beloonde broeder Jan heel ruimhartig met wel duizend gulden. Na de intocht bracht broeder Jan als Sinterklaas ontelbare huisbezoeken; zijn gage ging in de Veurbrook kas. Broeder Jan introduceerde de levende kerststal in de Willibrordkerk. Met de schaapjes en de ezel van de kinderboerderij, Jozef en Maria werden geleverd' door de jongerensoos en aan kindjes Jezus was nooit een gebrek in de kinderrijke buurt. 'Ik weet nog wel dat een aanstaande moeder bij me kwam en zei: 'Broeder Jan, ik ben helemaal niks, maar ik krijg in september een kindje. Mag de baby kindje Jezus zijn in de levende kerststal?' Haar verzoek werd gehonoreerd, het deerde broeder Jan niet dat de baby niet katholiek was. De levende kerststal was overigens een mooie bron van inkomsten en trok bezoekers van heinde en verre.

De opmerkelijkste geldinzamelingsactie van broeder Jan evenwel, was een televisieoptreden. Hij trad op in het programma Wie van de drie? 'Volgens mij raadde alleen Albert Mol dat ik de echte broeder Jan was'. Met het geld voor het televisieoptreden, werd de Veurbrook kas weer gespekt.

Het Veurbrook werd van meet of aan intensief gebruikt. Niet verwonderlijk dus, dat het gebouw begon te slijten en al heel snel te klein was.


Pagina 17

 

De samenwerking met de speeltuinvereniging aan de Jan Steenstraat bood soelaas. De grote activiteiten werden verplaatst naar dat gebouw en broeder Jan maakte van het speeltuinbijgebouwtje zijn kantoor.

Het houten Veurbrook, waar de wijk ooit zo blij mee was, werd na verloop van tijd echter een loden last voor het bestuur. Het pand bleek weinig comfortabel, in de winter moest de grote zaal aan de straatzijde al worden gesloten omdat het vertrek niet warm te stoken viel. Die stookkosten werden een grote zorg. De verwarming loeide dag en nacht en de warme lucht verdween door alle gaten, kieren en ramen naar buiten. Jack Uchtman, tekenaar van wijkkrant de Veurbode, maakte er nog een prachtige spotprent van, waarop de bankbiljetten door de ramen en het dak van het wijkcentrum naar buiten wapperden. Geweldig goed getroffen en erg leuk, maar de financiële zorgen waren ernstig. De Cogasrekening werd een strop om de nek van het wijkhuisbestuur. De schuld liep op. Tien-, twintig-, dertig-, veertig duizend gulden... en de teller tikte door. De staat van onderhoud holde achteruit. Het gebouw zuchtte en kreunde onder de invloeden van het Hollandse weer. De onbarmhartige zon in de zomer, de kou in de winter. Regenwater vond een weg door gaten en kieren.
Begin jaren tachtig was het iedereen wel duidelijk
dat het zo niet langer kon, maar de tijd werkte niet mee. Ook toen ging Nederland gebukt onder een grote crisis. De textiel was ineengestort, er was grote werkloosheid, de bouwmarkt klapte in elkaar en de gemeente Almelo had geen geld voor een nieuw wijkcentrum — hoezeer gewenst ook. De politiek werd
flink bewerkt en er ging geen week voorbij of er was wel iemand van het Veurbrook bij de gemeente om de zaak te bepleiten. Toenmalig wethouder Joke van der Kooij-Feenstra zag ook de noodzaak van nieuwbouw wel in, maar had geen geld. Voorzitter Theo Vleerbos van de Almelose jeugdraad werd een groot bondgenoot voor het Veurbrook, maar ook hij slaagde er niet in de gemeente ertoe te bewegen geld vrij te maken voor nieuwbouw.

Broeder Jan en het bestuur schakelden over op onorthodoxe actiemethoden om de politiek ervan te overtuigen dat er echt een nieuw wijkcentrum moest komen. Ze bleken meesterlijke campagnevoerders en slaagden er in de media optimaal te benutten. Zelfs de televisie besteedde aandacht aan de deplorabele staat van het wijkcentrum. Een week na de uitzending werd er een 'dramatische' wijkhuis schouw gehouden voor de politici. Voor die gelegenheid werden emmers geplaatst onder alle lekkageplekken in de plafonds. In het hele Veurbrook struikelde je over de emmers. De heren en dames bestuurders werden, broeder Jan incluis, ondeugend. 'Toen wethouder Stuivenberg zou komen kijken, hebben we de emmers met wat leidingwater aangevuld', bekende broeder Jan achteraf. Of het dank zij die voile emmers was of dank zij de acties, televisie en politiek gelobby bij elkaar, wethouder Stuivenberg was degene die een oplossing uit de hoge hoed toverde.

Gerrit Stuivenberg was in die jaren onder meer verantwoordelijk voor de werkgelegenheid. Dat bood kansen, want al was er weinig geld, om de werkloosheid te bestrijden waren er tal van potjes. En Stuiverberg was een gewiekst bestuurder. Hij boorde de potjes voor werkloosheidsbestrijding aan en kreeg op die manier de financiering voor een nieuw Veurbrook rond.

Pagina 18
 

      

      

          

        

           

           

        

       

       

Nog voor Stuivenberg met de oplossing voor de nieuwbouw kwam, begonnen broeder Jan en de zijnen al met een grote inzameling voor de inrichting van het nieuwe wijkcentrum. Dat was in december 1984. In de eerste maanden van het nieuwe jaar 1985 kwam de felbegeerde goedkeuring voor de nieuwbouw naast het bestaande Veurbrook. Het bestuur had — opnieuw — een Ions gebroken voor bouw op het Vincent van Goghplein, maar stuitte wederom op tegenstand. Nota bene ook van de eigen verkeer- on milieucommissie, die fel gekant was tegen de kap van de bomen op het plein. Tegelijkertijd liepen er volop acties. Er werden pennen verkocht in de vorm van een sleutel ('n slate| veur nieje Veurbrook'). Er werden duizenden exemplaren gesleten. Er kwam een complete kermis op het Van Goghplein. Toenmalig wethouder de Vogel en burgemeester Schneiders waren van de partij. Volgens de overlevering heet het dat Schneiders met de belofte van een koude borrel en nieuwe haring near de winkel van Tweetal op het plein was gelokt. Tweetal heeft daarvoor geld afgestaan voor het goede doel, want de eigenaar kon mooi met Schneiders praten over de noodzaak van een nieuwe locatie voor zijn bedrijf.
Terwijl de wijk zich suf spaarde voor de inrichting van
het nieuwe wijkcentrum, verzon het Veurbrook­bestuur ook een mooie oplossing voor een klemmenprobleem: de gigantische Cogasrekening van het oude Veurbrook. Die was opgelopen tot meer dan 100.000 gulden. Om die schuld weg te werken, zouden vrijwilligers veel bouwwerkzaamheden zelf gaan doen. Vloeren leggen, schilderen, wandbekleding aanbrengen, de bar maken. Aannemersbedrijf  Goossen toonde zich zeer begripvol. Het werk dat vrijwilligers zouden doen, ging of van de totale rekening. Op die manier poetste het bestuur de
zorgwekkend hoge Cogas schuld weg en hield ze nog een spaarcentje over ook. In augustus van het jaar 1985 metselde broeder Jan de eerste steen voor het nieuwe Veurbrook. Wijkbewoners togen aan het werk. Uren, dagen en maanden werden er ingestoken door een heel grote groep mensen. Wietse Boelen, Hennie Nijhuis, Ronnie Schoemaker, Eric Pen, Peter Hulshof, Hein Lommer en nog veel meer noeste werkers waren meer dan de Jan Tooropstraat dan thuis. Onder hun handen werd het Veurbrook het meest eigentijdse wijkcentrum van Almelo. Op 31 mei 1986 kon het gebouw door broeder Jan en wethouder Joke van der Kooil-Feenstra warden geopend. Het werd een geweldige, feestelijke happening.

In de periode van het oude naar het nieuwe Veurbrook, deed zich nog een belangrijke omwenteling voor, maar dan op bestuurlijk gebied. Het Veurbrook had een algemeen bestuur (AB), waarin alle clubs en commissies waren vertegenwoordigd. Op die manier zat het wijkcentrum tot in de haarvaten van de samenleving. Maar in het dagelijks bestuur (DB) maakten de vertegenwoordigers van de kerken de dienst uit. Dat ging op zeker moment wringen. Helemaal toen AB bestuurders administratieve oneffenheden ontdekten. Er ontstond een sfeer van wantrouwen, die tot curieuze toestanden leidde.

Een illustratief voorbeeld in de bouwperiode was het barricaderen van de koelkast met dikke kettingen, koffie en thee werden thuis bewaard. Toen op zekere avond vrijwilligers en bestuurders in hun vrije tijd het nieuwe wijkcentrum aan het schilderen waren, konden ze niets drinken. Boos kraakten ze de gebarricadeerde koelkast en dronken 'm leeg.
   
           P
agina 27

Het voorval leidde tot het vertrek van de kerkelijke vertegenwoordigers uit het Dagelijks Bestuur. Broeder Jan had in die tijd veel moeite met de gang van zaken, maar zag wel in dat de verhoudingen onherstelbaar verstoord waren en dat het bestuur een zaak was geworden voor de mensen uit de wijk. Hij gaf uiteindelijk het goede voorbeeld en bedankte voor de functie in het dagelijks bestuur en verkoos een positie in het algemeen bestuur. De 'coupe' bleek een voorbode voor meer: wijkbewoners voelden zich verantwoordelijk voor het Veurbrook en wilden zelf het beleid bepalen. Die houding zou ook in latere jaren oorzaak zijn van fikse confrontaties met overheid en andere instanties die de invloed van de wijkbestuurders wilden inperken of overnemen. Ook het nieuwe Veurbrook werd een bruisend centrum. Broeder Jan leefde altijd op bij de herinnering aan die dagen. 'Oh, oh wat een feesten', verzuchtte hij, 'het hing er met de benen uit. Er kwam zoveel jeugd naar de soos, dat ze er niet eens in de grote zaal konden. Ze stonden nog op de gang.' Het bestuur had intussen versterking gekregen van beroepskrachten. Kinderwerkers, jeugdwerkers, opbouwwerkers. Ze spanden zich op heel veel terreinen in en kregen veel voor elkaar.

Naderend onheil

Ms een donderslag bij heldere hemel diende zich in de zomer van 1986 het onheil aan.

De nieuwe minister van cultuur Elco Brinkman, ging fors bezuinigen op het welzijnswerk.

En met fors werd ook fors gedoeld. Broeder Jan was ontzet. 'Ik heb voor het eerst van mijn leven een brief aan een minister geschreven', weet hij nog. In de brief waarschuwde de broeder voor de gevolgen van de bezuinigingen en wees hij op het goede werk dat de

beroepskrachten op dat moment deden. In een Ossenkoppelerhoek dat steeds meer te maken kreeg met werkloosheid, nieuwe Nederlanders, lage inkomens en andere stadse problemen.
Broeder Jan heeft nooit antwoord van Brinkman op zijn
brief gehad. Toen hij in de gemeenteraad probeerde een lans te breken voor het sociaal cultureel werk, brak hij. Het zou een cruciaal voorval blijken, want kort daarna, in 1988, zag broeder Nijland uit Borne zijn kans schoon.
Hij wist dat broeder Jan worstelde met de gevolgen van de bezuinigingen en bood hem een nieuwe job aan bij de Theresiaparochie in Borne. Daar werd broeder Jan belast met thuisbezoeken. Hij nam het aanbod aan. 'Mijn hart huilt', kopten de kranten. Broeder Jan ging zijn 'tweede huis' verlaten. De wijk wilde een daverend afscheid, Broeder Jan koos vastberaden voor een bescheiden receptie. Het Veurbrook was opnieuw te klein. Maar de banden tussen broeder Jan en het Veurbrook zijn nooit doorgesneden. Bij alle belangrijke gebeurtenissen

P
agina 28

wordt hij betrokken, bij alle leuke bijeenkomsten is hij vanzelfsprekend van de partil. En nu er opnieuw sprake is van uitbreiding van het bestaande wijkcentrum, praat broeder Jan weer mee in de bouwcommissie. Alsof hij nooit is weggegaan.

Broeder Jan's inschatting over de gevolgen van de Brinkman-bezuinigingen was overigens akelig accu­raat. Veel beroepskrachten moesten weg of raakten veel uren kwijt. Het bestuur kruiste de degens met de SSKWA over het toch al beperkte aantal uren voor ondersteuning. Vervolgens fuseerde SOSKA met twee andere instellingen (Poort van Kleef en de stichting Randgroepjongerenwerk Almelo). De stichting Netwerk ontstond. Bij die nieuwe stichting kwamen alle kinder-, jeugd-, sociaal cultureel- en opbouwwerkers in dienst. Het bestuur van het Veurbrook stond heel argwanend tegenover de ontwikkelingen. Helemaal toen duidelijk werd dat het nieuwe Netwerk wilde bepalen wat de beroepskrachten in de wijkcentra zouden en mochten gaan doen. Het Veurbrook bestuur moest daar niets van weten; dat wilde zelf bepalen wat er in zijn wijkcentrum zou gebeuren. Wethouder van der Kooij-Feenstra zette het Veurbrook­bestuur het spreekwoordelijk mes op de keel: niet akkoord gaan, betekende geen beroepskrachten. Het Veurbrook ging sputterend akkoord, maar wist wel voor elkaar te krijgen dat het mede bepaalde hoe en wat de beroepskrachten in het wijkcentrum zouden doen.

De jaren negentig waren aangebroken. Een periode waarin de economie opbloeide. Het Groeneveld werd volgebouwd, Beeklust ademde rust. De Ossen­koppelerhoek profiteerde niet van die voorspoed en kende ook niet de rust van de aanpalende wijken. De Ossenkoppelerhoek was in de jaren tachtig verworden tot een `Probleem Cumulatie Gebied'.

Veel werkloosheid, verpaupering in de koopflats, verruwing van de samenleving, criminaliteit. Het wijkcentrum werd — op eigen school — ook met problemen geconfronteerd. Een groep gebruikers was wel erg makkelijk geworden met het 'op de lat' drinken. Ze had aanvaringen met andere gasten van het wijkcentrum en dat veroorzaakte een terugloop in bezoekersaantallen. Er waren incidenten met jongelui die dronken achter het stuur van een auto kropen en rondscheurden op het veldje voor het wijkcentrum. Het bestuur zag het even aan en greep vervolgens in; het alcoholbeleid werd aangescherpt. Er werd 's middags niet meer geschonken, bier werd uit­sluitend in glazen geserveerd en op de pof drinken afgeschaft.

Maar er was meer. De computer en televisie hielden bezoekers thuis. Steeds meer jonge vrouwen en meisjes gingen werken en haakten als vrijwilliger af. Subsidieregels veranderden en geld voor activiteiten kwam niet meer in het Veurbrook terecht. Beroepskrachten namen een beetje de leiding over het restant van de activiteiten en toen kwam ook nog eens het rookverbod. Het aantal bezoekers liep nog verder terug. Het bestuur probeerde van alles om het tij te keren. Er werden nieuwe cursussen bedacht. Aquarelleren, glas-in-lood, bloemschikken. Er kwamen activiteiten voor de talrijke Turkse wijkbewoners. 'We hadden hier ook een bingo voor Turkse mensen. Er werd Turks gekookt met ouderen.' Aanvankelijke hadden al die vernieuwingen succes, maar het beklijfde niet. Toch leverden de moeizame jaren negentig ook veel goeds op. Want er kwam wel een groep jongelui

     Pagina 29

 

binnen, die een heel positieve uitstraling had. De meisjes en jongens kwamen voor de gezelligheid, maar werden ook vrijwilliger. Bij wijze van dank kregen ze van het bestuur een cursus glas in lood maken aangeboden. En wat gebeurde: de jongelui maakten niet enkel en alleen voor zichzelf iets moois, maar bedacht het wijkcentrum met prachtige glas-in­lood ramen voor in de ontmoetingsruimte.

Toen het iets beter leek te gaan met het Veurbrook, verhuisde voorzitter Brouwers van de Maardijk naar Aadorp. Hij droeg in 2000 zijn taken over aan Mary Fidder. Niet wetende wat voor een rampspoed zich al spoedig zou aandienen. Fidder en haar bestuur werden geconfronteerd met een vervelend incident. Een medewerker werd in het Veurbrook door de politie in de boeien geslagen omdat hij — niet in het wijkcentrum, maar elders — de wet had overtreden. Nadat de gearresteerde medewerker zijn straf had uitgezeten, wilde de man zijn baan terug. Het bestuur voelde daar helemaal niets voor en weigerde. De rekening voor die weigering was hoog, te hoog. Er was sprake van bedreiging en intimidatie die zo ernstig waren dat Mary Fidder met een mes in haar tas naar het wijkcentrum kwam. De intimidaties eisten hun tol in het wijkcentrum: bezoekers bleven opnieuw weg, vrijwilligers gaven de pijp aan Maarten. De gemeente nam het roer over en even zag het er naar uit dat het laatste uur voor het Veurbrook had geslagen.

Op het dieptepunt werd oud bestuurslid Hennie Nijhuis door wethouder Kuik-Verweg benaderd om te helpen. Nijhuis vormde vervolgens met oud voorzitter Wim Brouwers en wijkbewoner Hans van Riet een tijdelijk bestuur. Het drietal trad in januari 2006 aan, niet wetende wat het te wachten stond: de ontdekking van malversaties, aanvaringen met het Stedelijk Beheer en de gemeente, crisisoverleg tot diep in de nacht en uiteindelijk de 'herovering' van het Veurbrook.

Dat tijdelijk bestuur nam geen halve maatregelen. Het schreef zich onmiddellijk in bij de Kamer voor Koophandel, beëindigde het arbeidscontract met de omstreden werknemer en dook in de financiële administratie. Dat pakte ontluisterend uit. Het bestuur ontdekte tal van onvolkomenheden. Nog voor het van de schrik kon bekomen, werd het bestuur van het Veurbrook in oktober 2006 in het gemeentehuis ontboden. De strekking van de boodschap was: het Veurbrook is eigendom van de gemeente, het bestuur mag een programmaraad worden. Wim Brouwers was te verbouwereerd om wat te zeggen, Nijhuis hield zijn kaken stijf op elkaar. 'Ik weet nog dat we naar buiten liepen en dat het helemaal stil was', zegt Brouwers. 'Ter hoogte van de Joodse begraafplaats zei Hennie Nijhuis: 'Hier is het laatste woord nog niet over gezegd.'
Het bestuur van het Veurbrook trof onmiddellijk
voorzorgsmaatregelen. Het haalde haar administratie uit de kantoren. Net op tijd, want kort daarop werd hen de toegang tot het kantoor geweigerd. Woedend was het bestuur daarover en het schakelde juridische hulp in en ging met een stofkam door de boeken. Ze ontdekten dat met geld van het Veurbrook spullen waren gekocht die in andere wijkcentra terecht waren gekomen. Het batig saldo van het wijkcentrum was spoorloos verdwenen. De verstandhouding met het personeel van Stedelijk Beheer raakte ernstig ontwricht. 'Onthutsend', vonden Brouwers en Nijhuis. Voor het bestuur was toen de maat vol. Er werd besloten tot een ware overvaltechniek om de

     Pagina 30

"macht" in het wijkhuis definitief over te nemen. Met aannemer Kobes wachtten de heren op een koude, maar zonnige ochtend in november 2006 op de beheerder van Stedelijk Beheer. Zodra die de deur had geopend, sprongen de mannen te voorschijn, met Kobes en RTV Oost en andere media in hun kielzog. De totaal verraste man moest zijn sleutels inleveren en werd gesommeerd het pand te verlaten. Hij wilde de computer nog mee nemen, maar ook daar staken de bestuurders resoluut een stokje voor. 'Het was het eigendom van het Veurbrook. We konden er alleen weinig meer mee, want ze hadden er een code op gezet en die kenden we niet.' Aannemer Kobes verving vervolgens alle sloten van het Veurbrook en het wijkcentrum was weer het domein van zijn eigen bestuur.

Er volgde crisisoverleg met de gemeente en andere betrokkenen. De overheid zag het liefst dat het bestuur zwart op wit zou verklaren dat de gemeente vrijuit ging in de hele affaire en dat het bestuur afstand zou doen van de mogelijkheid van (straf) vervolging. Het bestuur weigerde. 'Het was een kwestie van rechtvaardigheid', verklaarden de verantwoordelijken achteraf. Het wijkhuisbestuur had het vanaf dat moment weer voor het zeggen, maar stond met loge handen. Een leeg wijkcentrum, een lege kas, geen bezoekers. Een getergde Hennie Nijhuis nam zijn medebestuurders op sleeptouw; ze besloten de schouders er weer onder te zetten. In 2007 tekende het bestuur een nieuw contract met de gemeente. Daarin is geregeld dat het gebouw juridisch eigendom is van de gemeente, dat het voor onbepaalde tijd verhuurd wordt aan het bestuur van het wijkcentrum, dat het bestuur recht heeft op een aantal uren beheer van het Stedelijk Beheer, maar dot het Veurbrook niet onder het Stedelijk Beheer valt.
Langzaam krabbelde het Veurbrook weer uit het
diepe, diepe dal. Met privé geld van bestuurders als Nijhuis werden computers gekocht en konden computercursussen gegeven worden. Er werden huurders binnengehaald die voor inkomsten zorgden, het aantal activiteiten groeide gestaag, bezoekers vonden hun weg weer naar het wijkcentrum. ben het nabij gelegen wijkcentrum de Smorre afbrandde, gingen de deuren open voor de getroffen verenigingen en clubs. Financieel heeft het Veurbrook de zaakjes weer op orde. De inkomsten komen allemaal ten goede aan de clubs, de activiteiten en de medewerkers. Kinderen kunnen er in de vakantie terecht, personeel kreeg en krijgt scholing. Tien medewerkers met tal van nationaliteiten van MAC, Fusion en SOWECO nemen het beheer voor hun rekening. Het Veurbrook is weer de huiskamer van de wijk, waar mensen ook spontaan binnen vallen. De rust is weergekeerd. Voor hoe lang? Wie zal het zeggen. Want natuurlijk doemen er aan de einder wel weer potentiële `gevaren' op. Want Het Veurbrook is — opnieuw - te klein en mag nu uitbreiden. De provincie heeft al geld beschikbaar gesteld, de gemeente is ook bereid om uit te breiden. Maar het Veurbrook bestuur heeft daar uiteraard z'n eigen opvattingen over.....

                

                 

                  

      

              

             

              

              

                

 

Hoofdstuk

• De beroepskrachten

Een beetje Sjors en de rebellenclub. Zo werd — en wordt - er door de `buitenwereld'

aangekeken tegen wijkcentrum Veurbrook. Bestuurders van het Veurbrook gelden als eigenzinnig, ondernemend, maar ook als weerbarstig en lastig. Bestuurders, vrijwilligers en ook de mensen die er als beroepskracht werkten, weten dat het anders zit. 'Het is inzet

en grote betrokkenheid', vindt Huub Melenhorst. Hij werkte vier jaar full time in het Veurbrook en is nog altijd een paar uur per week te vinden aan de Jan Tooropstraat.

Jet Kellner en Harrie Bulter waren in 1975 de eerste beroepskrachten in dienst van de stichting jeugd­en wijkcentrum Beeklust-Ossenkoppelerhoek. Dat wil zeggen: als juffrouw Melling, niet als zodanig kan worden betiteld. Bulter en Kellner vormden een koppel dat het erg goed met de wijkbewoners kon vinden. 'Het was pionierswerk', omschreef Bulter het in 2011. 'Het pand was water- en winddicht, daar had je het mee gezegd. Het lekte wel en het was er koud, maar het deerde me eigenlijk nooit. Het waren hoogtijdagen. Alles wat we aanpakten en opzetten, floreerde. Er waren vrijwilligers genoeg en er waren veel deelnemers.'

Bulter en Kellner bekommerden zich in eerste instantie om het kinderwerk en de immens populaire Soya Broja, de Soos van Broeder Jan. Dat wil zeggen: de vrijwilligers organiseerden en voerden uit, Kellner en Bulter stonden de vrijwilligers bij. De twee stonden ook aan de basis van heel veel andere nieuwe activiteiten. De wijkkrant Veurbode werd in die periode opgericht, volgeschreven, gedrukt en verspreid. De nog altijd actieve werkgroep Beeklustpark werd geformeerd om in het Beeklustpark op de zondag gratis concerten te organiseren. Er kwam een commissie voor huurders-, verkeer- en milieuaangelegenheden die (opgesplitst) tot op de dag van vandaag actief is. Bulter: 'Ik kan me herinneren dat er toen al grote aantallen klachten waren over de woningen. In zo'n commissie konden we die klachtenstroom reguleren. Volgens mij waren de corporaties ook wel blij met die commissie. Dan hadden ze een aanspreekpunt en ging niet iedereen bellen over de klachten..."Het was altijd druk in het Veurbrook', herinnert zich Bulter. "s Morgens, 's middags en 's avonds. Het begon al vroeg met de peuters en het eindigde met het jongerenwerk en de vergaderingen. We deden ook de leukste dingen. lk weet nog dat we een film hebben gemaakt met jongeren over jongeren over het thema zwangerschap. De bood­schap was: kijk uit als je vrijt, want je kunt zwanger worden. De politie werkte er aan mee en kwam met loeiende sirenes aan rijden voor de opnames... De vakantiedorpen die we toen bouwden, waren ook geweldig. Het krioelde van de kinderen op het bouwterrein. Fantastisch'.

Renee Woolderink solliciteerde in 1978 naar de functie van sociaal cultureel werkster in het Veurbrook. Het was haar eerste baan, Harrie Buffer, Jet Kellner, Margie Compier en Theo de Wilde werkten er al. Renee Woolderink: 'Het Veurbrook was een geweldige ontmoetingsplek voor de hele wijk. Het was er druk, er waren heel veel verschillende activiteiten en we hadden een ontzettend leuk team beroepskrachten en vrijwilligers. Eigenlijk was het een grote familie. Met mensen als Mary Fidder, de familie Hankel, Renneke Siemerink, Hennie Nijhuis, Wim Brouwers en Ellis Schlosser. Ellis was zo goed. Die kon geweldig met jongeren omgaan. Ach, en je had meneer Lebbink, Jack Uchtman van de mooie tekeningen en meneer ter Horst. Hij was al op leeftijd maar kon overal voor worden ingezet... Wietse Boelen liep er toen ook en de familie Faber. Dat was, zeg maar, de 'huishoudelijke tak'. Mensen die de hele catering deden. In die jaren heb ik gezien en ervaren hoe belangrijk vrijwilligerswerk is. Het heeft me gevormd. lk doe zelf nog altijd vrijwilligerswerk.'

Het waren drukke jaren, maar ook jaren waarin het Veurbrook zich onderscheidde door vernieuwende activiteiten. Het mocht zelfs trendsettend worden genoemd. 'In die tijd kregen we moeilijk contact met de grote groep Molukse wijkbewoners', herinnert Renee Woolderink zich. `Toen hebben we met de sociale dienst van de gemeente Almelo voor elkaar gekregen dat mensen hun uitkeringsbriefjes in het Veurbrook mochten inleveren. Onder de Molukkers waren ook veel werklozen en die kwamen met hun uitkeringsbriefjes binnen. Er stond een biljart, er was iemand van de sociale dienst, een beroepskracht van het Veurbrook...en het werkte. Molukse mensen

kwamen binnen en daardoor ook hun kinderen. Leuk, maar ik geloof niet dat het experiment later ook in andere wijkcentra is gehouden.'

Het Veurbrook was in die tijden op meer terreinen innovatief. Het liep voorop met wat anno nu Inburgeringcursussen' heet. Nederlandse taallessen op de zaterdagmorgen, informatieve bijeenkomsten voor Turkse vrouwen op andere tijdstippen. Renee Woolderink strikte dokters, wijkverpleegkundigen en zelfs gynaecologen voor spreekbeurten. De meeste publiciteit kreeg een tweede film die met jongeren uit de wijk werd gemaakt in Borne. Een voorlichtingsfilm over en voor werkloze jongeren. Die film hebben we samen met het vormingscentrum de Roggekamp en de Volkshogeschool gemaakt. Dat weet ik nog wel. Heel bijzonder', aldus Renee Woolderink.

Tijdens het zwangerschapsverlof van Renee Woolderink, in 1984, werden haar taken overgenomen door Marijke Bruinincx, die een bijzondere band zou opbouwen met het Veurbrook. Ze pakte van alles op en aan. Ouderenwerk, kinderwerk, ze ondersteunde het bestuur en organiseerde razend populaire vakantiespelweken. 'Ik heb in die tijd ook nog geprobeerd om iets voor Turkse vrouwen op te zetten. Dat ging niet echt soepeltjes. We organiseerden middagen voor de vrouwen en die werden druk bezocht. Daar lag het niet aan. Het waren gewoon gezellige middagen waar werd gepraat, gedanst, gegeten... maar de mannen vonden het niet echt leuk dat die vrouwen met z'n allen hier kwamen feest vieren.'

Niettemin werden er veel meer activiteiten opgezet voor de Turkse wijkbewoners en zeker niet onsuccesvol. 'Het zat hier stampie vol en uiteindelijk vonden de Turkse mannen het ook prima dat we van alles

organiseerden. `Jo Marijke, goed Marijke, doe maar Marijke', dat hoorde ik veel in die dagen. Maar toen we de organisatie probeerden over te drogen, ging het niet...'

Bruinincx vindt ook het eerste politieke café in het Veurbrook, voorafgaand aan de verkiezingen in 1986, memorabel. Turkse mensen mochten voor het eerst stemmen en we hielden hier een politiek café. Dat was allemaal reuze spannend. We ontdekten dat er allerlei spanningen waren. Familievetes, dachten we eerst. Later ontdekten we dat er stromingen waren en lets als de Atib (Turkse arbeidersbeweging) was en Grijze Wolven (politieke Turkse organisatie). En wat dat betekende.'

Marijke Bruinincx werd in haar Veurbrooktijd de collega van Frank Zwijnenberg, die in dienst trod in 1984. Hil ging zich bemoeien met een grote groep jongeren die werkloos was en het Veurbrook als haar tweede thuis beschouwde. Jongens als Wietse Boelen, Erik Pen, Bennie Schollink en kornuiten. 'In hun eigen huis moesten ze met de benen omhoog omdat moeder moest stofzuigen', verduidelijkt Frank Zwijnenberg, `dus kwamen ze allemaal in het Veurbrook. Daar werden ze tegelijkertijd een beetle opgevoed. We deden ook van alles. Van het organiseren van activiteiten voor elkaar tot het leren inkopen. Al ging het maar om drie zakjes Treets.'

De kampen van wel twintig opgeschoten jongeren en Frank Zwijnenberg als enig begeleider, zijn legen­darisch. Zeker de eerste editie. Zwijnenberg: 'We hadden een plaats besproken op een camping is Ossenzijl, maar bij aankomst bleek dat een echte familiecamping te zijn. En daar stonden wij, een groep van die losgeslagen jongeren met een hoop lawaai... Na een nachtje kwam de campingbaas al bij ons.'

De man opperde een verhuizing van de kluit uit Almelo naar het nabij gelegen Wanneperveen. De VW bus van Zwijnenberg werd weer volgegooid met bagage en daar ging het hele spul. Wanneper­veen bleek de ultieme kampeerlocatie. Een camping waar ze wat gewend waren. Bij toeval viel het verblijf van de jongelui samen met het dorpsfeest van Wanneperveen. Dat trof! Het dorp stond vol grote tenten met lange tafels en podia waarop van alles te doen was, muziek, dans, bandparodisten, buikdanseressen. Frank: 'Almelo zou daar wel even van zich laten zien en horen... Maar die Almeloers hadden helemaal geen rekening gehouden met de boeren uit Wanneperveen en hun klompen. Hahaha. Op het moment dat een poor van onze jongens naar de meisjes uit Wanneperveen keken, was het vechten

De knokpartijen in de tent van Wanneperveen drukte de stemming allerminst. De wonden werden daags erna gelikt en wijzer geworden, stortten de jongelui zich in de feestmeute. Het hele spul had de week van hun leven. Ook in culinair opzicht: er werd gezamenlijk gekookt. Gezonde voeding. Macaroni met verse groenten. 'Toen ik champignons aan het snijden was kreeg ik al te horen: `Wa's dat dan nou??? Verse paprika, ze hadden er nog niet van gehoord. Paprika waren die rode sliertjes over het eten uit de snackbar.' Maar het meeste indruk maakte nog wel de campingbaas die maar een arm had. 'Ohne arm' noemden de jongens hem. Ohne arm kon een biertje tappen als geen ander. Dan sloeg hij met zijn arm over de tap, hield het glas eronder en tapte een perfect pilsje. De jongens vonden het enorm indrukwekkend. Ze hebben de hele week geprobeerd dat ook te doen, en dat lukte natuurlijk niet. Want op de laatste dag van het kamp, leerden ze dat Ohne arm gewoon een pedaaltje onder de tap had staan....'
Frank Zwijnenberg was ook de beroepskracht die de
bouw van en de verhuizing naar het nieuwe Veurbrook meemaakte. `Toen ik kwam, gingen we in het oude Veurbrook afbouwen. Er zijn maanden geweest dat ik in mijn overal naar het werk kwam. Alles deden we samen. Schilderen, vloeren leggen, tegels zetten. Het nieuwe Veurbrook werd casco afgeleverd, de rest deden we zelf. We stonden 's avonds in het licht van de bouwlampen nog te werken. Het ging in die tijd nooit over geld, het ging om de saamhorigheid. Veel vrouwen zaten thuis van die bedspreien te haken (met een vette knipoog) valletjes bedoel ik daarmee. Die moesten en zouden er komen. Het was weliswaar geen combinatie met de moderniteit van het nieuwe pond, maar ook hier ging het weer om de saamhorigheid.' Die enorme betrokkenheid van wijkbewoners bij `hun' Veurbrook en de sfeer in het wijkcentrum spraken ook Marijke Bruinincx erg aan. Ze kreeg in januari 1986 een vaste aanstelling bij de SSKWA (welzijnsorganisatie en werkgever van de sociaal cultureel werkers in Almelo) met als `standplaats' het Veurbrook, maar werd in de zomer van datzelfde jaar al geconfronteerd met de plannen van toenmalig minister Brinkman die fors ging bezuinigen op welzijn. Marijke Bruininckx had het echt naar haar zin bij het Veurbrook en wilde niet weg, maar zag de bui al hangen. 'Ik had als laatste een vaste aanstelling gekregen en zou er dus als eerste uitvliegen. Dat heb ik niet afgewacht.' Ze kreeg in 1989 een baan bij Eugeria en nam afscheid. 'Ik dacht meteen: ach, ze hebben altijd nog bestuurders nodig, dan kan
ik nog wel een tijdje mee.' Toch was ze zo wijs om even afstand te nemen. Een jaar later werd ze secretaris. Dat was in de tijd dat Wim Meier voorzitter was en het Veurbrook zware stormen moest doorstaan. Het was ook de tijd waarin Frank Zwijnenberg naar Enschede vertrok en werd opgevolgd door Marja Zijlstra.

Marja Zijlstra werd geconfronteerd met een Veurbrook vol bezoekers en een hoop dynamiek. Ze kende de mensen niet en wilde van Frank Zwijnenberg graag wat meer 'input'. Ze belden en konden het — telefonisch — wonderwel goed vinden. Het werd het begin van een relatie die tot op de dag van vandaag voortduurt: Frank en Marjo gingen uiteindelijk samenwonen en kregen zoon Max. Marjo werd de sociaal cultureel werker van het Veurbrook, Frank werkte in Enschede, maar hij draaide als vrijwilliger toch nog menig bardienst mee.

De begin jaren negentig waren voorwaar niet makkelijk. De stedelijke welzijnskoepel Netwerk werd opgericht en die moest/wilde alle wijkcentra inlijven en het beleid bepalen. Voor tal van wijkcentra in Almelo was dot geen probleem, maar in de Ossenkoppelerhoek stuitten Netwerk en de gemeente op taai verzet. Want al was het gebouw Veurbrook eigendom van de gemeente, het beleid bepalen in het Veurbrook, dat wilde het bestuur toch echt zelf.

Voor Marja Zijlstra was het laveren. Ze was in dienst van Netwerk en gedetacheerd bij het Veurbrook. Net als Frank, Marijke en al die mensen voor haar, had ze vooral het gevoel dot ze van het Veurbrook was. Ze deed de exploitatie, ondersteunde het bestuur, zorgde voor de vrijwilligers, organiseerde activiteiten en liet vakantiespelweken slagen. Maar het bracht haar ook in conflict met haar werkgever Netwerk, die hoar op het matje riep na het verzenden van brieven op Veurbrook papier. 'Dat mocht niet. Dat moest op Netwerk papier zijn. Ik mocht helemaal niet werken met Veurbrook spullen, vond mijn directeur bij Netwerk. Ik heb er een officiële reprimande voor gehad en ik moest ook tekenen om het in het vervolg anders te doen.' En? Is dat ook gebeurd? 'Nee, zeg. Natuurlijk niet. Activiteiten van het Veurbrook op Netwerk papier, dat was destijds echt onmogelijk.'

                               Marja Zijlstra in hoogtijdagen van het Veurbrook.

                                                                        

Er veranderde veel in die tijd. Het karakter van de werkzaamheden veranderde. Er kwamen steeds meer kortlopende projecten waar even geld voor was. Het eerste was de caravan die door de wijk trok om aandacht te vestigen op kindveiligheid. Maar er waren er meer, al legde Marja Zijlstra vooral het accent op het werken met en het ondersteunen van vrijwilligers. Ofschoon het bestuur in de begin jaren negentig wist te voorkomen dat Netwerk het beleid zou gaan bepalen, moesten ook veranderingen worden geaccepteerd. Zoals de komst van zakelijk leiders. Marja Zijlstra vond het soms lastig. 'Een beetje twee kapiteins op een schip', duidt ze het achteraf. Ze begon om te kijken naar een alternatieve functie en ging een studie opbouwwerk volgen. Toen ze daarvoor slaagde, werd ze wijkontwikkelingswerker in diverse wijken van Almelo. Haar ervaringen in het Veurbrook dienen tot op de dag van vandaag nog als de basis voor haar werk. 'Ik ben intussen directeur van een welzijnsorganisatie in Dinkelland en het is daar weer een beetje zoals toen in de Ossenkoppelerhoek. Het gaat weer om de mensen en wat ze willen.'

Huub Melenhorst had de 'perfecte' basis toen hij zich meldde in 1994 bij Netwerk voor de functie van beheerder in het Veurbrook. 'Ik had de landbouw­school gedaan, woonde en werkte een tijdje in Brazilië en daarna bij een project voor langdurig werklozen en ex-verslaafden in Rotterdam.' Melenhorst was zijn vrouw nagereisd en neergestreken in de Kashba in Hengelo toen hij solliciteerde. Hij moest het hoofd bieden aan een imponerende sollicitatiecommissie van wel acht bestuurders van het Veurbrook, mensen van de gemeente en (toekomstige collega's van) Netwerk. 'Ik had de trein genomen naar station de Riet, want dan moest ik in ieder geval door de wijk !open. Het was een echte volksbuurt, in die tijd. Het was 's avonds en ik moest maar wachten op een krukje aan de bar. Daar keken wel tien tot twaalf van die barvrijwilligers me met een schuin oog aan. Het hele wijkcentrum zat tjokvol.'Of de diploma's melken en rundvee-inseminatie de doorslag hebben gegeven, meldt de geschiedenis niet. Feit is wel dat Melenhorst beheerder werd in wat hij zelf 'een hele sterke periode' van het Veurbrook noemt. 'Het was er super goed georganiseerd. Een sterk dagelijks bestuur, een goed functionerend algemeen bestuur waarin alle groepen en commissies waren vertegenwoordigd, goede beroepskrachten die er de hele dog werkten. De sfeer was gemoedelijk, losjes. Het Veurbrook was een beetje de huiskamer van de wijk. Er waren mensen die er iedere avond even binnenstapten voor een kopje koffie of een biertje. Er mocht worden gerookt — het zag er ook regelmatig blauw van de rook — en de lot bestond nog. En er waren heel veel vrijwilligers. Ik geloof wel 120. Ik weet nog wel dat de gipsen plafondplaten op zeker moment echt vernieuwd moesten worden, maar er was geen geld. Vervolgens stond er zo een club van een man of vijf, zes. Die regelde een steiger. De een haalde de plafondplaten eraf, de ander liep er mee naar buiten, daar werden ze geschilderd en vervolgens werden ze weer terug gezet. Opgelost.'Huub Melenhorst zag in zijn jaren bij het Veurbrook belangrijke verschuivingen plaats vinden die grote invloed hadden op het wijkwerk. Te beginnen bij het rookverbod en lets dat het bestuur — met steun van Melenhorst — aanpakte: het drinken 'op de lot'. 'Ik weet nog wel dat er stevige discussies over werden gevoerd. Of het wel kon dat sommige mensen voor honderden guldens op de lot hadden staan en dat met de verdiensten, bij wijze van spreken, het crêpepapier voor de kinderclub werd gekocht.' De enorm toegenomen drankomzet, maar ook het gedrag van bezoekers die wel erg vroeg kwamen en erg veel dronken, gaf de doorslag. Er mocht niet meer gepoft worden. Dat en het rookverbod, dunde het aantal bezoekers een beetje uit. Maar er waren meer maatschappelijke ontwikkelingen die van grote invloed waren. De jeugd haakte af. `De komst van het internet is echt een breekpunt geweest. Voorheen had je bij de kinderspelweek van die jochies van een jaar of dertien. Te groot voor de spelweek, maar ze kwamen wel in hun cowboy pakje kijken. Die gingen dan als vrijwilliger helpen, limonade inschenken en zo. Dat vonden ze leuk. Die groep verdween achter de computer. Een eigen scootertje en een mobieltje maakte dot ze niet langer gebonden waren aan de wijk....' Ook het feit dot jonge stellen bleven werken, was merkbaar in het wijkcentrum. Het aantal vrijwilligers liep terug. 'Voorheen was het heel vanzelfsprekend dat dingen werden opgepakt. Als mensen nu iets doen, is het meer afgepast. Ze komen bijvoorbeeld op dinsdagmiddag van twee tot drie uur, en een week later weer. En ze moeten ook persoonlijk benaderd worden, er loopt geen groep meer rond die zegt: 'Oh, dot doen we wel even.'Een ander punt is het wegvallen van de `eigen' beroepskrachten. Mensen als Frank Zwijnenberg en Maria Zijlstra brachten al hun uren door in het Veurbrook. De gemeente en Netwerk maakten daar een eind aan in de jaren negentig. Beroepskrachten kregen geen vaste stek meer en besturen van wijkcentra, en dus ook het Veurbrook, moesten uren ondersteuning aanvragen voor de verschillende taken en activiteiten. Gevolg was dat het wijkcentrum een aantal uren voor kinderwerk, een paar uurtjes voor de jongeren en wat uren voor sociaal cultureel werk kreeg toegekend. Het werd allemaal door verschillende beroepskrachten uitgevoerd. 'Het raakte helemaal versnipperd. De beroepskrachten deden hun voorbereidingen ergens, maar niet in het Veurbrook. Je kon dus niet even overleggen... en dat maakte het wijkcentrum zwakker. Als er daarvoor wat gaten vielen, kon een beroepskracht dat makkelijk even oppakken. Maar ze waren er op zeker moment gewoon niet meer.' Melenhorst vertrok medio 1998 naar het toen zieltogende wijkcentrum 'n Molnwiek. Het Veurbrook zag hem met lede ogen vertrekken. Maar de zo gewaardeerde beheerder is intussen terug. Namens het stedelijk beheer komt hij een paar uren in de week voor de ondersteuning van beheerder Marinus Bergsma. Hij geeft 'm aanwijzingen en tips, zorgt dat de administratie voor elkaar is. Dus ziet Melenhorst ook dat het huidige bestuur met ziel en zaligheid er aan werkt om oude glorie tijden te doen herleven en daar stukje bij beetje ook in slaagt. De financiën zijn weer op orde, het wijkcentrum wordt steeds drukker. Melenhorst is nog altijd een tikje bezorgd. 'De nostalgie kan ook een valkuil zijn. De betrokkenheid van de mensen die er nu zijn, is enorm. Maar het is kwetsbaar, want het is nog erg afhankelijk van een paar mensen. Maar ik vind het wel knap dat het bestuur al die ballen in de lucht houdt.'

                  

                        

                

                              

                    

                    

                    

                      

                     

                      

        

   

       

          

                   

 

     

 

 

• Markante vrijwilligers

Vrijwilligers vorm(d)en de ruggengraat van wijkcentrum Veurbrook. Onder hen onvergetelijke wijkbewoners die veel hebben betekend voor het Veurbrook of de wijk.

    

       

De onvergetelijke Jacques Uchtman aan het werk tijdens een van de fameuze feestavonden in het Veurbrook.

  

• Veurbode

In de 40 jaar van haar bestaan, zijn heel veel activiteiten opgezet en initiatieven ontplooid in wijkcentrum Veurbrook. Sommigen waren een Lang leven beschoren. De peuterspeelzaal Drie Turven Hoog bijvoorbeeld, bestaat nog altijd. De huisvrouwengymnastiek kent zelfs nog leden van het eerste uur. Wijkkrant de Veurbode zag het levenslicht in 1975. Al heette de wijkkrant toen nog Wijkwijs.

 

 

Van de Beeklust, Groeneveld en Ossenkoppelerhoek, kan vooral de Ossenkoppelerhoek bogen op een zeer roerige geschiedenis. De wijk is amper een halve eeuw oud en er gebeurde zo ontzettend veel. Een snelle opbouw, een snelle teloorgang, een krachtdadige

vernieuwingsslag. Maar het kreeg ook een bijzondere groep bewoners in de Molukkers, het bouwde een mooie traditie op met het culturele feest Rembrandt Fiesta en trok landelijke aandacht met een opmerkelijk `gouden slag'.

Rembrandt Fiesta is het populaire mufticulturele wijkfeest van de
Ossenkoppelerhoek en Beeklust voor de hele stad. Het trekt jaarlijks
duizenden bezoekers.

Begin jaren vijftig arriveerde een grote groep voorrnalige KNIL militairen met hun gezinnen in Nederland. De bedoeling was dat ze tijdelijk zouden blijven. Ruim zeventig Molukse gezinnen belandde in het barakkenkamp de Vossenbos in Wierden.

 

 

 

De Ossenkoppelerhoek, Beeklust en Groeneveld hebben met het evenemententerrein aan de Rembrandtlaan een geweldige locatie voor groter opgezette (wijk) feesten.

De paaskermis heeft een lang traditie, maar is niet een feest van en door de wijkbewoners (voor iedereen). Rembrandt Fiesta is dat wel.

 

De Ossenkoppelerhoek onderscheidt zich in veel opzichten van andere wijken. Er gebeuren dan ook bijzondere dingen. Bewonersvereniging 't Brook mag de eer opeisen voor de meest opmerkelijke 'stunt'. Een huzarenstukje dat zelfs landelijke aandacht trok. 't Brook kocht namelijk eind jaren tachtig voor een bedrag van 4,8 miljoen gulden 76 huurwoningen.

  

 

                                                                                         • De Toekomst

Hoe anders dan het verleden en het heden, ziet de toekomst van de Ossenkoppelerhoek eruit in de plannen van — vooral — woningstichting Beter Wonen. De wijk knapte in de afgelopen jaren al zienderogen op, maar krijgt in de tijd die gaat komen nag een belangrijke

impuls. De Ossenkoppelerhoek is over een decennium de parkwijk van Almelo, schetst directeur Peter van der Hout van Beter Wonen. Maar wel een parkwijk voor iedereen.

 

 

 

 

 

 

 

 

De flats aan de Rombout Verhulstlaan maakten in 2011 plaats voor nieuwbouw van Beter Wonen.

En nu? Een kwart eeuw na de opening is het een feit: het wijkcentrum is weer to klein. De gangen en meterkast dienen als bergruimte, langs de wanden in de lokalen staan materialen hoog opgetast, je kunt er geen poot trekken. De activiteiten zijn booming en variëren van kook-, creatieve- en sportieve clubs tot en met eenmalige of geregelde bijeenkomsten. Het bestuur bedenkt en organiseert veel en checkt bij klankbordgroepen van bewoners uit de wijk of die activiteiten aan de wensen voldoen.